Richtlijnen 2010
Wetgeving en AED 
12 JUNI 2006. — Wet die het bedienen van automatische « externe » defibrillatoren toelaat
21 APRIL 2007. — Koninklijk besluit houdende veiligheids- en andere voorwaarden inzake een automatische externe defibrillator gebruikt in het kader van een reanimatie
RICHTLIJNEN REANIMATIE 2010
in Nederland en België
Dit boek is een samenvatting van de reanimatierichtlijnen 2010. Het consensusdocument over reanimatie werd opgesteld door het ILCOR (International Liaison Comittee On Resuscitation) na een uitgebreid nazicht van de beschikbare wetenschappelijke literatuur. Daarna werd dit door de Europese reanimatieraad in praktische richtlijnen gegoten.
Samen met de Nederlandse Reanimatie Raad, maakte de Belgische Reanimatieraad hier een waardevolle handleiding van.
U kan deze handleiding gratis downloaden. Een gedrukte versie is beschikbaar en kan u bestellen voor 4,50 euro + verzendingskosten. Vanaf oplagen van 100 exemplaren geniet u van een bijkomende korting en wordt uw bestelling voorzien met uw eigen logo. Gelieve hiervoor contact te nemen met het secretariaat van de BRC.
Samenvatting van de belangrijkste wijzigingen sinds de richtlijnen van 2005
Kies uw onderwerp:
BLS |
Defib |
ALS |
EPLS |
NLS |
EDU |
Basale reanimatie
De wijzigingen in de basale reanimatie (BLS) sinds de richtlijnen van 2005 zijn:

- . Dispatchers moeten opgeleid worden om, via strikte protocollen, de nodige informatie te verkrijgen van de personen die hen contacteren. Deze informatie moet gericht zijn op de herkenning van de bewusteloosheid (geen reactie) en de kwaliteit van de ademhaling. Wanneer er combinatie is van bewustzijnsverlies met ademhalingsstilstand of abnormale ademhaling start de dispatcher een protocol ‘vermoeden circulatiestilstand' op. Het belang van gasping als teken van circulatiestilstand wordt benadrukt.
- Alle hulpverleners, getraind of niet, moeten borstcompressies toepassen bij slachtoffers met een hartstilstand. Het is belangrijk de klemtoon te leggen op het feit dat borstcompressies op een zo correct mogelijke manier moeten toegepast worden. Bij het uitvoeren van de borstcompressies beogen wij een diepte van ten minste 5 cm aan een frequentie van minstens 100/min , een volledig terugplooien van de borstkas met zo min mogelijk onderbrekingen van de borstcompressies . Getrainde hulpverleners zouden ook moeten beademen, in de verhouding borstcompressies/beademing 30:2. Telefonisch gestuurde basale reanimatie zonder beademing wordt aangemoedigd voor niet-getrainde hulpverleners.
- Het gebruik van evaluatie-/feedbackapparatuur tijdens een reanimatie kan onmiddellijk informatie terugkoppelen naar de hulpverlener en wordt daarom aangemoedigd. De gegevens die in hulpverleningsmateriaal worden opgeslagen, kunnen gebruikt worden om de kwaliteit van CPR te bewaken en te verbeteren en ook feedback te geven aan professionele hulpverleners tijdens de debriefing.
Elektrische therapieën: automatische externe defibrillatoren, defibrillatie, cardioversie en pacing
De belangrijkste wijzigingen in de ERC richtlijnen 2010 voor elektrische therapieën omvatten:
Het belang van het vroegtijdig starten en het niet onderbreken van borstcompressies wordt doorheen deze richtlijnen benadrukt.
- . Er wordt een nog groter belang gehecht aan het verkorten van de pre- en de post-schokpauzes. Het is aanbevolen om tijdens het opladen van de defibrillator door te gaan met borstcompressies.
- Men legt ook de klemtoon op het onmiddellijk hervatten van de borstcompressies na het toedienen van een schok. Door dit te combineren met het voortzetten van compressies tijdens het opladen van de defibrillator, zal een defibrillatieschok de borstcompressies niet meer dan 5 seconden onderbreken.
- De veiligheid van de hulpverlener blijft steeds van primordiaal belang, maar deze richtlijnen bevestigen dat de kans op een letsel bij de hulpverlener, tijdens het opladen van de defibrillator, zeer klein is, zeker als deze handschoenen draagt. De focus ligt nu op een ‘snelle veiligheidscontrole", om de pre-schokpauze zo kort mogelijk te houden.
- Wanneer een circulatiestilstand buiten het ziekenhuis behandeld wordt, verrichten hulpverleners van de dringende geneeskundige hulpverlening, een reanimatie van hoge kwaliteit tijdens het halen, aanleggen en opladen AED-toestel. Het routinematig toepassen van een periode van CPR (vb 2 tot 3 minuten) vooraleer de ritmeanalyse start en de schok wordt gegeven, wordt niet langer meer aangeraden. Medische hulpdiensten, die sinds geruime tijd werken met een standaardperiode waarin ze reanimeren vooraleer ze defibrilleren, mogen dit blijven doen aangezien er onvoldoende bewijs is om het af te raden.
- Het toedienen van drie opeenvolgende schokken kan overwogen worden wanneer er zich een VF of VT voordoet tijdens een hartcatheterisatie of de eerste post-operatieve uren na hartchirurgie. Deze drieschokkenstrategie kan ook overwogen worden bij een circulatiestilstand veroorzaakt door een plotse VF/VT in aanwezigheid van een getuige, bij een patiënt die reeds aangsloten ligt op een manuele defibrillator.
- Het verder uitbouwen van AED-programma's moet bevorderd worden en er is nood aan een verhoogd inzetten van AED's in publieke en private plaatsen.
Specialistische reanimatie van volwassenen
De belangrijkste veranderingen in de ERC richtlijnen voor specialistische reanimatie van volwassenen voor 2010 omvatten:

- . Meer nadruk op het belang van minimaal onderbroken hoge kwaliteit borstcompressies gedurende elke ALS interventie: borstcompressies mogen enkel kort onderbroken worden om specifieke handelingen te stellen.
- Meer nadruk op het efficiënt opvolgen van parameters en monitoren (track en trigger systeem) bij gehospitaliseerde patiënten om tijdig de kritieke patiënt te detecteren en een behandeling in te zetten om circulatiestilstand te voorkomen.
- Betere voorlichting over de alarmsignalen in verband met een mogelijk risico op plotselinge circulatiestilstand buiten het ziekenhuis.
- Opheffen van de aanbeveling van een vooraf gespecificeerde periode van cardiopulmonale reanimatie (CPR) voor de defibrillatie buiten het ziekenhuis door getraind personeel die geen getuige was van het voorval.
- Verder zetten van borstcompressies terwijl de defibrillator oplaadt, betekent een vermindering van de compressieloze tijd voor de defibrillatie.
- Het gebruik van de precordiale vuistslag wordt niet langer aanbevolen.
- Het gebruik van maximaal drie snel opeenvolgende schokken voor de behandeling van ventrikelfibrillatie/ventrikeltachycardie zonder pols (VF/VT) in het hartkatheterisatie laboratorium of tijdens de onmiddellijke postoperatieve periode na hartchirurgie.
- De toediening van geneesmiddelen via een endotrachiale tube wordt niet langer aanbevolen - als een intraveneuze toegangsweg niet lukt moet men de intraosseuze weg gebruiken.
- Voor de behandeling van circulatiestilstand ten gevolge van VF/VT wordt 1 mg adrenaline gegeven na de derde schok, zodra de borstcompressies werden hervat, en daarna te herhalen elke 3-5minuten (gedurende de CPR cycli) . Men geeft ook 300 mg amiodarone na de derde schok.
Atropine wordt niet langer aanbevolen voor de behandeling van asystolie of polsloze elektrische activiteit (PEA). - Minder nadruk op vroegtijdige endotracheale intubatie, tenzij deze wordt uitgevoerd door een hooggekwalificeerd persoon met een minimale onderbreking van de hartmassage is.
- Meer nadruk op het gebruik van capnografie om de juiste plaatsing van de endotracheale tube (ETT) en de kwaliteit van de reanimatie te bevestigen en voortdurend te monitoren en tegelijk ook vroegtijdig de terugkeer van spontane circulatie (ROSC) vast te stellen.
- De potentiële rol van echografie tijdens de ALS wordt erkend.
- Erkenning van de mogelijke schade veroorzaakt door hyperoxemie nadat de ROSC is bereikt: zodra ROSC is vastgesteld en de zuurstofverzadiging van het arteriële bloed (SaO2) betrouwbaar kan worden gecontroleerd (door pulsoximetrie en/of arteriële bloedgasanalyse), wordt de inspiratoire zuurstof getitreerd om een SaO2 van te bereiken 94 tot 98%.
- Meer aandacht voor en nadruk op de behandeling van het post-cardiaal arrestsyndroom.
- Erkenning dat de invoering van een begrijpbaar en gestructureerd behandelingsprotocol de overleving zal verbeteren van patiënten met ROSC na een circulatiestilstand.
- Meer nadruk op het gebruik van primaire percutane coronaire interventie bij patiënten met ROSC na een circulatiestilstand (met inbegrip van de comateuze patiënten).
- Herziening van de aanbeveling voor glycemie controle: bij volwassenen met ROSC na een circulatiestilstand, moeten bloed glucosewaarden > 10 mmol/ L (> 180 mg/ dl) worden behandeld, maar hypoglycemie moet worden vermeden.
- Therapeutische hypothermie gebruiken om comateuze overlevenden van circulatiestilstanden, geassocieerd met initieel schokbare als met niet schokbare ritmes te includeren. De lagere graad van evidentie voor gebruik van hypothermie na een circulatiestilstand met een niet schokbaar ritme wordt erkend.
- Erkenning dat veel van de aanvaarde voorspellers van een slechte prognose bij comateuze overlevenden van een circulatiestilstand onbetrouwbaar zijn, vooral als de patiënt werd behandeld met therapeutische onderkoeling.
Initiële behandeling van acute coronaire syndromen
De veranderingen in de aanpak van het acuut coronair syndroom ten opzichte van de richtlijnen 2005 omvatten:
- De term non-ST-elevatie myocardinfarct-acuut coronair syndroom
(Non-STEMI-ACS) werd ingevoerd zowel voor NSTEMI als voor instabiele angina pectoris, omdat de differentiële diagnose afhankelijk is van biomarkers die pas na enkele uren traceerbaar zijn terwijl beslissingen over de behandeling afhankelijk zijn van de klinische verschijnselen bij presentatie. - Medische voorgeschiedenis, klinisch onderzoek, biomarkers, ECG criteria en risicoscores zijn onbetrouwbaar om patiënten te identificeren die op een veilige manier vroegtijdig kunnen worden ontslagen.
- De rol van observatie eenheden voor pijn op de borst (CPUs of Chest Pain Units) is om met behulp van herhaalde klinische onderzoeken, ECG en biomarkersonderzoek, die patiënten te identificeren die moeten opgenomen worden voor invasieve procedures. Dit kunnen provocatietesten zijn en, bij geselecteerde patiënten, beeldvormingsonderzoek, zoals cardiale computertomografie, magnetische resonantie beeldvorming, enz.
- Niet-steroidale anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAIDs) moeten worden vermeden.
- Nitraten mogen niet gebruikt worden voor diagnostische doelen.
- Extra zuurstof wordt enkel gegeven aan de patiënten met een hypoxemie, kortademigheid of longoedeem.
Hyperoxemie kan schadelijk zijn bij een ongecompliceerd infarct. - De richtlijnen voor de behandeling met acetylsalicylzuur (ASA) zijn versoepeld: ASA kan nu worden gegeven door omstanders, met of zonder bijstand van de telefonist van de dienst voor dringende medische hulpverlening.
- Herziene richtlijnen voor de nieuwe behandeling met bloedplaatjesaggregatie remmende en anti-trombine middelen bij patiënten met STEMI en non-STEMI-ACS op basis van een therapeutische strategie.
-
Gp IIb/IIIa-remmers vóór angiografie of percutane coronaire interventie (PCI) worden afgeraden.
-
De reperfusie strategie voor het myocardinfarct met ST-stijging is bijgewerkt:
- Primaire PCI (PPCI) is de reperfusiestrategie bij voorkeur op voorwaarde dat het tijdig door een ervaren team wordt uitgevoerd.
- Een nabijgelegen ziekenhuis kan worden voorbijgereden door de dringende medische hulpverleningsdiensten (EMS), op voorwaarde dat een PPCI kan worden uitgevoerd zonder al te veel vertraging.
- De aanvaardbare wachttijd tussen de start van fibrinolyse en de eerste ballondilatatie varieert sterk, van 45 en 180 minuten, afhankelijk van de lokalisatie van het infarct , de leeftijd van de patiënt en de duur van de symptomen.
- 'Rescue PCI' moet worden ondernomen als fibrinolyse mislukt.
- De strategie van routinematige PCI onmiddellijk na fibrinolyse ("gefaciliteerde PCI") wordt ontmoedigd.
- Patiënten met een succesvolle fibrinolyse en die zich niet in een ziekenhuis met PCI- mogelijkheden bevinden, moeten voor angiografie en eventuele PCI worden getransfereerd best 6 - 24 uur na de fibrinolyse (de 'farmaco-invasieve' aanpak).
- Angiografie en, indien nodig, PCI kunnen nodig zijn bij patiënten met terugkeer van spontane circulatie (ROSC) na een circulatiestilstand en kunnen deel uitmaken van een gestandaardiseerd post-cardiaal arrest-protocol.
- Om deze doelstellingen te bereiken moet er een netwerk opgezet worden tussen de dringende geneeskundige hulpcentra, ziekenhuizen zonder PCI en deze met PCI.
- Aanbevelingen voor het gebruik van beta-blokkers zijn beperkter: er is geen aantoonbaar voordeel voor het routinematig intraveneus toedienen van beta-blokkers, behalve in specifieke omstandigheden, zoals voor de behandeling van tachyaritmiën.
Men zal met slechts lage dosissen beta-blokkers beginnen nadat de patiënt is gestabiliseerd. - Richtlijnen voor het gebruik van profylactische anti-aritmica, angiotensine
converting enzyme (ACE)-remmers/angiotensine receptor blokkers (ARBs) en statines zijn ongewijzigd.
Reanimatie van kinderen
De veranderingen in de nieuwe richtlijnen voor reanimatie van kinderen omvatten:

- . Erkenning van de circulatiestilstand - Hulpverleners kunnen in minder dan 10 seconden bij baby's of kinderen niet met zekerheid een beslissing nemen over aanwezigheid of afwezigheid van pols.
- Hulpverleners moeten zoeken naar andere tekens van leven en slechts als zij vertrouwd zijn met de techniek van polspalpatie, kunnen ze deze voor het diagnosticeren van circulatiestilstand gebruiken en beslissen of ze met thoraxcompressies starten of niet. De beslissing om reanimatie te starten moet worden genomen in minder dan 10 seconden.
Volgens de leeftijd van het kind, kan de pols genomen worden aan de a. carotis (kinderen), de a. brachialis (zuigelingen) of de a. femoralis (kinderen en baby's). - De verhouding compressie ventilatie (CV) die voor kinderen wordt gebruikt, moet worden gebaseerd op de vraag of één of meer dan één hulpverlener aanwezig is. Leekhulpverleners die gewoonlijk alleen de één-hulpverlener technieken leren, moet men de verhouding 30 compressies voor 2 beademingen aanleren.Dit is hetzelfde als in de richtlijnen voor volwassen. Zo kan iedereen, getraind in de basale reanimatie voor volwassenen (BLS) ook kinderen reanimeren met een minimale aanvullende informatie.
Professionele hulpverleners moeten een CV ratio 15:2 aanleren; maar ze kunnen gebruik maken van de CV verhouding 30:2 wanneer ze alleen zijn, vooral als ze er niet in slagen een voldoende aantal compressies te verrichten. Ventilatie blijft een zeer belangrijk onderdeel van de reanimatie in geval van circulatiestilstand door asfyxie.
Hulpverleners die de mond-op-mond beademing niet kunnen of willen geven, moeten worden aangemoedigd om tenminste de basale reanimatie zonder beademen uit te voeren. - De nadruk ligt op het bereiken van kwaliteitsvolle compressies met een adequate diepte en met minimale onderbrekingen om de periode zonder circulatie zo veel mogelijk te beperken. Comprimeer de borstkas tot ten minste 1/3 van de voor-achterwaartse diameter van de borstkas bij alle kinderen (d.i. ongeveer 4 cm bij zuigelingen en ongeveer 5 cm bij kinderen).Volledig terugplooien van de borstkas wordt benadrukt . Zowel voor baby's als voor kinderen moeten de compressies aan een frequentie van ten minste 100, maar niet meer dan 120 per minuut, toegediend worden . De compressietechniek voor zuigelingen is drukken met twee vingertoppen voor één hulpverlener en, is drukken met de twee duimen naast elkaar , de vingers gevouwd omheen de thorax, voor twee of meer hulpverleners. Voor oudere kinderen kan, volgens de voorkeur van de hulpverlener, de een- of twee-handen-techniek worden gebruikt.
- Automatische externe defibrillatoren (AED's) zijn veilig en succesvol voor gebruik bij kinderen ouder dan 1 jaar. Speciale kinderelektroden of software die de output van de machine verminderd tot 50-75 J worden aanbevolen voor kinderen van 1 tot 8 jaar. Als een afgezwakte schok of een handmatig aanpasbaar toestel niet beschikbaar is, kan een ongewijzigde volwassen AED worden gebruikt bij kinderen ouder dan 1 jaar.
Er zijn gevallen bekend van succesvol gebruik van AED's bij kinderen jonger dan 1 jaar. In het zeldzame geval van een schokbaar ritme bij een kind jonger dan 1 jaar, is het mogelijk om een AED te gebruiken (bij voorkeur met een dosisreductie). - Om de periode zonder circulatie te minimaliseren, moeten de borstcompressies worden voortgezet tijdens het aanbrengen van de paddles of de zelfklevende elektroden (indien de grootte van de borstkas van het kind dit toelaat) en tijdens het opladen van de defibrillator. Borstcompressies worden kort onderbroken als de defibrillator opgeladen is om de schok af te leveren. Voor eenvoud en consistentie met de richtlijnen van basale en specialistische reanimatie van volwassenen (BLS en ALS) wordt voor defibrillatie van kinderen een 1-schok strategie van 4 J/kg aanbevolen zonder verhoging van de dosis (bij voorkeur bifasische, maar monofasische is aanvaardbaar).
- Endotracheale tubes met cuff kunnen bij zuigelingen en jonge kinderen veilig worden gebruikt. De juiste maat wordt geselecteerd door toepassing van een gevalideerde formule.
- De veiligheid en de evidentie van het gebruik van cricoïddruk tijdens intubatie is niet duidelijk. Daarom moet de uitvoering van cricoïddruk worden gewijzigd of gestaakt als het ofwel de ventilatie ofwel de snelheid of het gemak van de intubatie belemmert.
- Monitoring van de uitgeademde kooldioxide (CO2), het liefst door capnografie, is nuttig om de juiste positie van de endotracheale tube te bevestigen en aanbevolen tijdens reanimatie om te helpen bij het beoordelen en optimaliseren van de kwaliteit ervan.
- Zodra de spontane circulatie is hersteld moet de geïnspireerde zuurstof worden getitreerd om het risico van hyperoxemie te beperken.
- Invoeren van een snel oproepsysteem in een dienst van pediatrie kan het aantal in-hospitaal circulatie- en ademhalingsstilstanden verminderen.
- Nieuwe onderwerpen in de richtlijnen van 2010 omvatten ionenstoornissen en diverse nieuwe bijzondere omstandigheden: trauma, enkelvoudige ventrikel pre -en post 1e graad heelkundig herstel, post Fontan-circulatie en pulmonale hypertensie.
Reanimatie van pasgeborenen
De belangrijkste veranderingen in de richtlijnen van 2010 voor reanimatie van pasgeborenen zijn:

- . Voor gezonde baby's, wordt een vertraging in het afklemmen van de navelstreng van ten minste één minuut na de volledige geboorte van het kind aanbevolen. Er is onvoldoende bewijs om het juiste moment voor afklemming van de navelstreng aan te bevelen bij baby's die ernstig geleden hebben bij de geboorte.
- Voor voldragen zuigelingen, moet gewone lucht worden gebruikt tijdens reanimatie bij de geboorte. Indien, ondanks effectieve ventilatie, oxygenatie (best gemeten door oximetrie) onaanvaardbaar blijft, kan het gebruik van een hogere concentratie van zuurstof worden overwogen.
- Premature baby's jonger dan 32 weken zwangerschap zullen niet dezelfde transcutane zuurstofsaturaties in gewone lucht bereiken als deze bereikt door voldragen baby's. Daarom dient het gebruik van lucht-zuurstofmengeling oordeelkundig te gebeuren en het gebruik begeleid door pulsoximetrie. Als een mengsel van zuurstof en lucht niet beschikbaar is, gebruik dan wat wel beschikbaar is.
- Premature baby's van minder dan 28 weken zwangerschap moeten onmiddellijk na de geboorte volledig worden bedekt met een isolerende folie of zak tot aan hun nek zonder ze af te drogen. Zij moeten worden verzorgd en gestabiliseerd onder een warmtestraler. Zij moeten ingepakt blijven tot dat hun temperatuur na opname gecontroleerd is. Voor deze kinderen moet temperatuur in de verloskamer minstens 26°C zijn.
- De aanbevolen compressie ventilatie ratio voor reanimatie van pasgeborenen blijft op 3:1 voor reanimatie.
- Pogingen om meconium te aspireren uit de neus en mond van de ongeboren baby, terwijl het hoofdje nog rust op het perineum, wordt niet aanbevolen.
Indien deze tonusloos is en in apneu wordt geboren, is het nodig om de orofarynx snel te inspecteren en mogelijke obstakels te verwijderen. Als de reanimator voldoende ervaring heeft, kan tracheale intubatie en aspiratie nuttig zijn. Maar indien de poging tot intubatie verlengd wordt of niet lukt, start dan masker ventilatie, zeker wanneer de bradycardie aanhoudt. - Voor toediening van adrenaline is de intraveneuze toegangsweg aanbevolen. De gebruikte dosis is 10-30 µg/kg.
Als de tracheale toegangsweg wordt gebruikt, is waarschijnlijk een dosis van ten minste 50-100 µg/kg nodig om een vergelijkbaar effect van 10 µg/kg intraveneus te bereiken. - Bij pasgeborenen met spontane circulatie wordt de detectie van uitgeademde kooldioxide of capnografie in aanvulling op de klinische beoordeling aanbevolen als de meest betrouwbare methode om de juiste plaatsing van een endotracheale tube te bevestigen.
- Voldragen of bijna voldragen pasgeborenen die een matige tot ernstige hypoxisch-ischemische encefalopathie ontwikkelen, moeten, waar mogelijk, worden behandeld met therapeutische hypothermie. Dit heeft geen invloed op de onmiddellijke reanimatie, maar is belangrijk voor postreanimatiezorg.
Beginselen van onderwijs in reanimatie
De sleutelbegrippen die door de werkgroep "Education, Implementation en Teams (EIT)" van het International Liaison Committee on Resuscitation (ILCOR) werden opgelijst tijdens de evaluatie van de wetenschappelijke evidenties van de ERC-richtlijnen 2010, omvatten:

- . Opleidingen moeten geëvalueerd worden om na te gaan of deze betrouwbaar de beoogde leerdoelen hebben bereikt. Het doel is te zorgen dat de cursisten de vaardigheden verwerven en de kennis blijven behouden zodat ze in staat zijn om correct te handelen bij een echte circulatiestilstand en de overlevingskansen van het slachtoffer te doen toenemen.
- Een korte cursus via zelfstudie, aan de hand van video of computer, met weinig of geen begeleiding van instructeurs, gecombineerd met praktische oefeningen, kan overwogen worden als een alternatief voor een reanimatiecursus (BLS en AED) , geleid door een instructeur.
- Het zou ideaal zijn indien alle burgers een standaardopleiding reanimatie kregen, inclusief borstcompressies en beademing. Er zijn evenwel omstandigheden waarin training in reanimatie, uitsluitend op basis van borstcompressies, aangewezen is (vb een training in een zeer beperkte tijdsspanne). Mensen die een opleiding hebben gehad in reanimatie, uitsluitend op basis van borstcompressies, moeten gestimuleerd worden tot het volgen van een standaardcursus basale reanimatie.
- De kennis en de vaardigheden van de basale en specialistische reanimatie nemen af binnen de 3 tot 6 maand na opleiding. Het houden van frequente tests helpt de personen te ontdekken die een opfrissingscursus moeten volgen om hun kennis en vaardigheden bij te schaven.
- Toestellen die begeleiding of feedback geven, zorgen er voor dat personen de aan te leren vaardigheden beter verwerven en onthouden. Daarom wordt het gebruik ervan bij reanimatieopleidingen aangeraden, zowel voor leken als voor hulpverleners.
- Nadruk leggen op niet-technische vaardigheden, zoals leiderschap, teamwork, taakverdeling en gestructureerde communicatie, verbetert de uitvoering van reanimatie en patiëntenzorg.
- Team briefings om reanimatiepogingen te plannen en debriefings op basis van de prestaties tijdens gesimuleerde of reële reanimatiepogingen, moeten worden gebruikt ter verbetering van zowel de inviduele prestaties als deze van het reanimatieteam.
- Onderzoek naar de impact van reanimatieopleidingen op de reële overlevingskansen van patiënten is beperkt. Hoewel studies met poppen nuttig zijn, moeten onderzoekers aangemoedigd worden om het effect van opleidingen op de reële overlevingskansen van patiënten te onderzoeken en te rapporteren.




